Suïcidepreventie in Tergooi MC en de regio

31 augustus 2026

'Durf te vragen hoe het écht met iemand gaat'
Monique Kammeraat en Luka Bilbija

‘Durf te vragen hoe het écht met iemand gaat’

Als een patiënt na een suïcidepoging wordt binnengebracht op de Spoedeisende Hulp, ligt de eerste focus op de lichamelijke toestand: wat is er gebeurd en welke medische zorg is nodig? Maar goede zorg gaat verder. Zodra het kan, begint ook het gesprek over hoe het écht met iemand gaat en stellen zorgverleners rechtstreeks vragen over gedachten aan de dood of zelfmoord.

 

SEH-arts Luka Bilbija en consultatief psychiatrie verpleegkundige Monique Kammeraat spreken deze patiënten ieder vanuit hun eigen rol. Luka Bilbija ziet hen vooral op de Spoedeisende Hulp. Monique Kammeraat wordt daarnaast ook op andere afdelingen in het ziekenhuis ingeschakeld.

Na de eerste medische opvang komt ook de veiligheid nadrukkelijk in beeld. Eerst probeert het team zo precies mogelijk te achterhalen wat er is gebeurd. ’Als het gaat om een poging met medicijnen of andere middelen, willen we bijvoorbeeld weten: wat is er geslikt? Hoe laat? Hoeveel? Zijn het je eigen medicijnen?’, vertelt Bilbija. Daarna wordt breder gekeken. Kan iemand zichzelf nog iets aandoen? Is er een risico dat iemand wegloopt? En wat is er nodig om de patiënt en de zorgverleners veilig te houden? ‘Waar vang je zo iemand op? Welke spullen liggen er allemaal? Wat heeft de patiënt nog bij zich? Wat wil de patiënt eigenlijk?’, vertelt Bilbija.

‘Wilde je dood? En wil je dat nu nog steeds?’

Zodra er ruimte is voor een gesprek, is het belangrijk om niet om het onderwerp heen te draaien. Dat gesprek wordt niet alleen door psychiatrische zorgverleners gevoerd: ook medewerkers op andere afdelingen worden getraind om signalen te herkennen en de moeilijke vragen te stellen.

Monique Kammeraat begint zo’n gesprek vaak heel direct. ‘Hoe gaat het nu met je? Wilde je dood? En wil je dat nu nog steeds?’ Volgens haar is het belangrijk om niet om die vragen heen te draaien. ‘Als je dat niet doet, wordt het een soort roze olifant en praat je er omheen. En dat doen we niet.’ Door het onderwerp wél te benoemen, laat je zien dat erover gesproken mag worden. ‘Zo van: wij kunnen het hierover hebben. En wij schrikken niet van wat je vertelt.’

Je hoeft het niet op te lossen

Luka Bilbija herkent hoe belangrijk het is om die vragen niet uit de weg te gaan. ‘En dat wil helemaal niet zeggen dat wij op de Spoedeisende Hulp de psycholoog of de psychiater moeten gaan uithangen’, zegt hij. ‘Het gaat hierbij om hele basale menselijke bejegening.’ Volgens hem kan juist het stellen van de vraag al veel betekenen. ‘Het stellen van die vraag, dat zou je een interventie kunnen noemen. Het is enorm krachtig. Juist door zijn eenvoud en juist door het feit dat het door iedereen gesteld kan worden.’

En daarbij hoef je niet meteen de oplossing te hebben. ‘Ik verwacht ook niet dat je iemand vervolgens uit de put helpt. Dat is het niet. Maar je haalt iemand wel uit zijn isolement en biedt hem een kans om daar iets over te zeggen. Daardoor is de drempel naar verdere stappen en eventueel andere hulpverlening opeens veel lager.’

Volgens Monique Kammeraat hoef je ook niet meteen te weten wat je moet zeggen als iemand vertelt dat het niet goed gaat. ‘Als iemand ja zegt, dan zeg ik: jeetje, je hebt het wel erg zwaar. Vertel eens.’ Dan ontstaat ruimte voor het verhaal van de patiënt: wat speelt er, waar komt de wanhoop vandaan? Alleen dat luisteren kan volgens haar al helpen. ‘Het gesprek geeft hoop, maar biedt ook perspectief en ruimte.’

Suïcidepreventie doe je samen

Suïcidepreventie ligt niet bij één afdeling of één beroepsgroep. Monique Kammeraat wordt niet alleen op de Spoedeisende Hulp ingeschakeld, maar ook op andere afdelingen in het ziekenhuis. Daar kan het bijvoorbeeld gaan om patiënten die erg angstig, verward of wanhopig zijn, of aangeven dat ze het leven niet meer zien zitten. Samen met de zorgverleners op de afdeling kijkt ze wat er speelt en welke zorg nodig is om de patiënt goed op te vangen.

Binnen Tergooi MC worden medewerkers van verschillende afdelingen en disciplines geschoold in het herkennen van signalen en het bespreekbaar maken van gedachten aan zelfmoord. Daarbij gaat het niet alleen om wat je doet, maar ook om hoe je naar een patiënt kijkt. Luka Bilbija ziet dat er de afgelopen jaren, niet alleen in Tergooi MC maar ook landelijk, veel winst is geboekt in de manier waarop deze patiënten worden benaderd. Voor hem begint dat bij proberen te begrijpen wat iemand beweegt en iemand in zijn waarde laten. ‘Gewoon bejegenen zoals je zelf ook bejegend zou willen worden.’

In de trainingen oefenen medewerkers ook met situaties die in de praktijk kunnen raken. ‘Iedereen weet hoe je met die situaties moet omgaan, en dan nog kan het je zo raken’, zegt Monique. Juist door daar samen op te oefenen, leren collega’s niet alleen wat ze kunnen zeggen of doen, maar ook wanneer het goed is om elkaar erbij te halen of de zorg even over te nemen.

Wat gebeurt er na het ziekenhuis?

Als iemand lichamelijk voldoende hersteld is om het ziekenhuis te verlaten, kijkt Monique Kammeraat samen met haar collega’s hoe de zorg daarna wordt voortgezet. ‘Als iemand hier na een zelfmoordpoging weer naar huis mag, gaan wij altijd na of er al een zorgstructuur rondom die persoon is. En anders zorgen we dat die er komt.’ Vaak wordt daarvoor overlegd met de crisisdienst van GGZ Centraal. Soms kan iemand daar snel terecht, in andere gevallen gaat de crisisdienst bij de patiënt thuis langs. Vanaf dat moment kan de geestelijke gezondheidszorg de begeleiding overnemen en beoordelen welke zorg verder nodig is.

Is iemand al in behandeling, dan zoekt het ziekenhuis contact met de eigen behandelaar. Zo kan de bestaande behandeling worden voortgezet en ontstaat er meer zicht op wat er speelt. Een opname is volgens Monique Kammeraat liever niet nodig als het ook anders kan. ‘Het liefst zien we dat iemand weer naar huis kan. Want je wil ook die autonomie en die regie teruggeven. En het vertrouwen: dit kan jij.’

Daarbij hoeft passende ondersteuning volgens haar niet altijd uit gespecialiseerde psychiatrische zorg te bestaan. ‘We moeten niet alles psychiatriseren of medicaliseren.’ Soms kunnen juist gewone dingen als bewegen, structuur en contact met andere mensen veel betekenen. Goede afstemming met de ketenpartners buiten het ziekenhuis blijft daarbij belangrijk.

Samenwerken in de regio

Suïcidepreventie vraagt om samenwerking over de grenzen van organisaties heen. In de regio werken we samen met onder meer GGZ Centraal, huisartsen, ambulancezorg, gemeenten, scholen, jongerenwerk, politie en maatschappelijke organisaties. Al deze organisaties komen mensen op andere momenten en vanuit een andere rol tegen. Dat helpt om signalen eerder te herkennen en ondersteuning goed op elkaar aan te laten sluiten.

Ieder vanuit een eigen rol

Voor Marijntje Wetzels, bestuurder van Tergooi MC, hoort suïcidepreventie bij goede ziekenhuiszorg. ‘Het is onderdeel van onze kwaliteit van zorg. Jaarlijks komen er in Nederland duizenden mensen na een suïcidepoging op de Spoedeisende Hulp of Intensive Care. Ook in Tergooi MC krijgen we met deze situaties te maken. Daarnaast kan suïcidaliteit spelen bij patiënten die om een andere reden zijn opgenomen.’

Ook na een suïcidepoging heeft het ziekenhuis volgens Wetzels een belangrijke taak. ‘Bij een poging tot zelfdoding wil je de kans op een nieuwe poging verlagen. We vormen in deze situaties een brug tussen de acute noodsituatie en de geestelijke gezondheidszorg. Praten over zelfdoding kan complex zijn. En training van zorgverleners draagt hieraan bij.’

Gerben van Voorden, wethouder Zorg en Samenleving in Hilversum, benadrukt hoe belangrijk het is om suïcide bespreekbaar te maken. ‘Suïcide is helaas nog te vaak een taboe. Terwijl in bijna elke omgeving mensen zijn die op een moment in hun leven met suïcidale gedachten worstelen. Door het onderwerp bespreekbaar te maken, geven we mensen ruimte om hun verhaal te delen en eerder hulp te zoeken. Dat begint vaak met iets kleins: een vraag stellen, echt luisteren en laten merken dat iemand er mag zijn.’

Elkaar weten te vinden

Juist wanneer er meerdere problemen tegelijk spelen, is het belangrijk dat organisaties elkaar weten te vinden. Wetzels: ‘Een goede behandeling en nazorg kan vele aspecten bevatten. Een psychische behandeling lost niet alles op als externe triggers van suïcidaliteit blijven bestaan. Als er oorzaken in het sociale domein liggen, denk aan woonproblemen, verslaving, financiële stress, sociaal isolement of werkloosheid, kan een wijkteam direct ondersteuning bieden.’

Van Voorden ziet daarin een belangrijke rol voor de gemeente. ‘We komen inwoners tegen in verschillende fases van hun leven, bijvoorbeeld via scholen, jeugdvoorzieningen, de Wmo of ondersteuning bij schulden en eenzaamheid. Juist daar kunnen signalen zichtbaar worden. Daarom is het belangrijk dat professionals weten hoe ze signalen herkennen en waar mensen terechtkunnen voor hulp.’

Aandacht en betrokkenheid

‘Ik ben enorm trots op de manier waarop we binnen Tergooi MC met suïcidepreventie bezig zijn’, zegt Wetzels. ‘Ik heb zelf een training bijgewoond en dat maakte ontzettend veel indruk op me. Je ziet hoeveel aandacht en betrokkenheid er bij onze collega’s is en hoe serieus zij dit onderwerp nemen.’

‘Ook in de samenwerking in de regio is die aandacht en betrokkenheid er. En dat doet ertoe. Want als zorgverleners elkaar goed weten te vinden, als ketenpartners, en op elkaars expertise kunnen rekenen dan werkt dat voor iedereen fijn. Samen willen we zo de juiste zorg op het juiste moment kunnen bieden voor mensen die op een heel kwetsbaar moment in hun leven onze aandacht en steun nodig hebben.’

Signalen herkennen en durven vragen

Hoe merk je dat het niet goed gaat met iemand? Volgens Monique Kammeraat zit een belangrijk signaal vaak in verandering. ‘Het allerbelangrijkste is dat iemand anders is dan normaal.’ Iemand die altijd heel aanwezig is, kan zich ineens terugtrekken. Of iemand die normaal juist stil is, gedraagt zich opeens heel anders.

Opmerken dat iemand verandert is één ding. Vervolgens gaat het erom dat je contact maakt en doorvraagt. ‘Vaak weten we wel dat iemand griep heeft gehad. Maar hoe het écht gaat met de mensen om ons heen, weten we vaak niet’, zegt ze. Haar advies is om daarom te vragen: ‘Hé, hoe gaat het nou eigenlijk écht met je?’ En als iemand vertelt dat hij of zij het zwaar heeft, kan ook de directere vraag volgen: ‘Denk je wel eens aan de dood?’ Dat kan ook buiten het ziekenhuis spelen. Het kan gaan om een familielid of buur, maar net zo goed om iemand die je op een verjaardag spreekt of kent van de voetbalclub. ‘Want gedachten aan zelfmoord komen echt niet alleen voor bij mensen die psychiatrische zorg krijgen.’

Luka Bilbija heeft zelf ervaren hoe belangrijk het kan zijn om die directe vraag te stellen. Bij twee jonge patiënten die met vage klachten in het ziekenhuis kwamen, had hij een onderbuikgevoel. Hij stelde de vraag toch. ‘De winst is enorm’, zegt hij. ‘Op het moment dat je precies in de roos schiet met die vraag, blijkt er soms een wereld van pijn achter dat ogenschijnlijk mooie leven te zitten.’ Voor hem zit de kracht juist in de eenvoud. ‘Maak contact, stel de vraag. En stel die vraag op een manier die bij jou past.’ Het hoeft geen perfecte formulering te zijn: het gaat erom dat iemand merkt dat er ruimte is om te vertellen wat er werkelijk speelt.

Voor Monique Kammeraat kan juist zo’n contactmoment verschil maken. ‘Ieder moment doet ertoe. In ieder contact kun je als zorgverlener én als mens het verschil maken.’

Deel dit bericht:

E-mail nieuwsbrief